Schaak – Een strategisch bordspel

Schaak is een van de meest populaire bordspellen ter wereld, en terecht! Het maakt niet uit hoe oud je bent, iedereen kan leren schaken. Schaken verbetert niet alleen je concentratievermogen en je geheugen, maar het verhoogt ook je probleemoplossende vaardigheden, je creativiteit en je IQ.

Hoe speel je schaak?

Ten eerste moet je weten wat het doel is van schaken; het schaakmat zetten van je tegenstander. Dit doe je door de koning van de ander geen ruimte meer te geven om zich te bewegen, of zo uit te putten dat hij zich overgeeft.

Daarbij moet je de andere stukken, die de koning beschermen, verslaan. Dat doe je door jouw eigen stuk op de plek van het andere stuk te zetten. Tegelijkertijd moet je je best doen om jouw koning niet schaak te laten zetten.

Hoe leg je het schaakbord neer?

Leg het schaakbord zo neer dat het vak rechtsonder wit is voor beide spelers. Plaats daarna de schaakstukken op het bord.

Op de eerste rij (het dichtstbij je) staan de schaakstukken. Begin met de torens die je op beide hoeken zet. Daarnaast komen de paarden en daarnaast de lopers. Zet de dame op haar eigen kleur. Als je een witte dame hebt, zet die dan op het witte vak. Bij zwart zet je haar op het zwarte vak. Daarnaast staat de koning.

Op de tweede rij staan de pionnen.

Wat zijn de schaakstukken en schaakregels?

Elke speler heeft 16 schaakstukken, waarvan 8 pionnen. De koning en de dame zijn de belangrijkste en meest waardevolle stukken.

Koning: De koning kan niet worden geslagen of geruild. Hij kan enkel schaak of schaakmat (einde van het spel) worden gezet. De koning heeft geen punten, aangezien hij onbetaalbaar is. De koning kan bewegen hoe hij wil (opzij en diagonaal), maar slechts 1 vak tegelijk.

Dame: De dame heeft 9 punten. De dame kan zowel diagonaal en opzij bewegen, het maakt daarbij niet uit hoeveel vakken. Als je de dame verliest, dan kun je haar terugwinnen door een van je pionnen aan de overkant te krijgen.

Toren: De toren heeft 5 punten. De toren kun je enkel opzij bewegen (niet diagonaal), hoeveel vakken maakt daarbij niet uit.

Loper: De loper heeft 3 punten. Deze kun je enkel diagonaal bewegen, en het maakt ook niet uit hoeveel vakken.

Paard: Het paard heeft 3 punten. Deze mag je alleen in een L-vorm bewegen (ook wel de ‘Paardensprong’ genoemd) van 2 vakjes naar voren of achter en 1 vakje opzij; of 2 vakjes naar voren of achter en 1 vakje opzij.

Pion: Een pion heeft 1 punt. Hoewel pionnen de minst waardevolle stukken zijn, zijn ze alsnog belangrijk om je overige schaakstukken te beschermen. Een pion kun je de allereerste keer met 1 of 2 vakjes naar voren bewegen, maar daarna mag het nog maar 1 vakje per keer.

De pion is het enige schaakstuk dat niet naar achter mag bewegen en is beperkt tot bewegingen naar voren of opzij, tenzij je een ander schaakstuk verslaat (dat mag wel diagonaal).